In mijn droom, die ik had op mijn veertiende, had ik een dubbelrol.
Zo begon het. Ik was een slanke, statige man met halflang zilvergrijs haar, in een carré geknipt. Ik had een brede, rechte mond met dunne, harde lippen, hoge geprononceerde jukbeenderen en koele staalblauwe ogen. Ik droeg een lang purperen gewaad, dat met zilveren boorden was afgewerkt. Ergens in de middeleeuwen kwam ik terug van een lange veldtocht en reed als paarse veldheer op een praalwagen door de stad. Ik werd toegejuicht door duizenden mensen die zich aan de kant van de weg vergaapten aan de blinkende schatten die op de wagens voor de mijne langen uitgestald. Opvallend was dat ik geen enkele andere emotie voelde bij die hele verering en verworven rijkdom, dan een soort verdriet en een grote leegte, alsof niks betekenis had. Tijdens de stoet droomde ik, tussen het vermoeide wuiven naar mensen door, ook enkele keren weg: ik zweefde dan telkens rond een kasteeltoren, waar een mooie, roodharige vrouw uitnodigend lachend naar mij zat te wuiven met een zakdoek. Zij was het enige waar ik vrolijk van werd. In diezelfde droom was ik ook een dwerg met kort zwart krulhaar en een baard. Ik bevond mij ergens net boven het volk in een dakgoot of hing uit een venster. Ik wachtte tot de stoet zou passeren om dan mijn slag te slaan. Toen de paarse man voorbijreed, sprong ik in zijn nek, nam ik mijn mes en stak hem in de rug. Op het moment van de messteek was ik in mijn droom plots terug de paarse man die geen pijn voelde maar enkel verlossing. Ik had ook al gezien dat een dwerg in mijn nek zou springen en deed niets om hem tegen te houden, omdat ik toch verlangde naar het einde. Wat er op het moment van de messteek met de dwerg gebeurde, weet ik niet meer. Als dwerg zag ik na de messteek enkel de paarse rug en daar ging ik tegen met mijn gezicht.
Helmut Lotti.